Handleiding Divergent Denken Test

Begripsvaliditeit Divergent Denken Test

Zoals in Hoofdstuk 4, Normering al genoemd, is de DDT een vragenlijst met twee schalen die ieder uit een meting bestaan. Dit maakt het moeilijk om onderzoek te doen naar de interne structuur: een factoranalyse is bijvoorbeeld niet mogelijk, evenals een MGM-­‐analyse (Multiple Group Method). Wat wel mogelijk is, is om de twee losse schalen te valideren door middel van soortgenotenonderzoek, en relaties met de achtergrondvariabelen te onderzoeken.

5.1. Soortgenotenonderzoek

De soortgenotentest die hier gebruikt wordt is een variant van de eerdergenoemde alternate uses task (Guilford, 1967). In deze taak wordt de respondent gevraagd om zoveel mogelijk manieren te noemen waarop een baksteen gebruikt kan worden.Het voordeel van onderzoek met deze taak is dat de score hierbij ook bestaat uit productie (hoeveel antwoorden geeft iemand) en originaliteit (hoe vaak komt het antwoord voor in de normgroep).

De onderzoeksgroep is identiek aan de normgroep, zoals beschreven in Hoofdstuk 3, Normering. In Tabel 5.1 worden de resultaten van correlaties tussen de DDT en de Baksteentaak weergegeven.

Tabel 5.1

Correlaties tussen productie en originaliteit van de DDT en de Baksteentaak

rp
Productie.33<.000
Originaliteit.26<.000

Bovenstaande resultaten bieden sterke ondersteuning voor de validiteit van de DDT. De richtlijnen van Cohen (1988; .10 = klein effect, .30 = gemiddeld effect, .50 groot effect) classificeren dit als een gemiddeld effect. In beschouwing nemend dat de tweetests op veel vlakken van elkaar verschillen (de DDT is figuratief en de Baksteentaak verbaal; de DDT bestaat uit meerdere items en de Baksteentaak slechts uit een open vraag; de DDT is abstract en de Baksteentaak gaat uit van kennis over de wereld), is een correlatie van rond de .3 sterk te noemen.

5.2. Relatie met achtergrondvariabelen

Geslacht
In de literatuur vindt men wisselende resultaten met betrekking tot de rol van geslacht in divergent denken.

Hong, Peng, O’Neil en Wu (2013) vonden dat meisjessignificant meer oplossingen gaven op twee alternate uses taken, terwijl in originaliteit geen verschil was tussen jongens en meisjes. Lin, Hsu, Chen, en Wang (2012) maakten geen onderscheid tussen productie en originaliteit, en vonden dat vrouwen hoger scoorden op een aangepaste versie van de TTCT (Chen, 2006) dan mannen. Dit effect werd ook gevonden door o.a. Kuhn en Holling (2009). Ander onderzoek laat echter geen verschil tussen mannen en vrouwen zien (zie bijvoorbeeld Abraham, Thybusch, Pieritz en Hermann, 2014).

Gezien de gemengde bevindingen is onze hypothese dat vrouwen hoger zullen scoren op productie, en hoger of even hoog op originaliteit. We vonden inderdaad een verschil in productie ten voordele van vrouwen (t = 3,62,p <.000), zoals zichtbaar in Tabel 5.2. Mannen en vrouwen lieten geen significant verschil zien op originaliteit (p=.124).