Kennisbank overzicht
Definities van de factoren en schalen van de WPV
Definities van de factoren en schalen van de WPV

In dit document vindt u voor alle factoren en schalen uit de WPV de definities. Voor een nauwkeurige omschrijving en uitleg van de meting,  is het belangrijk deze definities van de schalen en factoren aan te houden. De schalen zijn per factor omschreven.

Invloed

In welke mate drukt iemand een stempel op de omgeving en hoe onafhankelijk stelt iemand zich op.

1. Status: Gedreven zijn maatschappelijk het hoogst mogelijke te bereiken.

Mensen die hoog scoren willen tot de besten in hun vakgebied behoren, zij willen graag hogerop
komen, ergens in uitblinken. Zij willen graag een functie hebben met veel aanzien en status. Mensen die gemiddeld scoren worden niet zozeer gedreven door een hele sterke wil om hogerop te komen, maar zij raken ook niet gedemotiveerd door het maken van verticale carrière stappen. Mensen die laag scoren voelen weinig behoefte carrière te maken, zij hechten geen waarde aan de status van hun functie. Zij vinden hun privé-leven belangrijker dan hun werk.

Voorbeelditems Status:
– Positief: Streeft ernaar maatschappelijk succes te behalen.
– Negatief: Wil weinig moeite doen om carrière te maken.

2. Dominantie: Neemt de leiding en speelt een bepalende rol in groepen en samenwerkingsverbanden.

Mensen die hoog scoren willen graag invloed uitoefenen op anderen, ze hebben vaak de leiding en nemen beslissingen voor de groep. Zij bepalen wat er gebeurt en zijn in staat de mening van anderen te beïnvloeden. Mensen die gemiddeld scoren zullen het niet steeds vermijden om sturing te geven en om invloed uit te oefenen, maar zij kunnen ook accepteren dat anderen meer invloed hebben op de groep of het proces. Mensen die laag scoren laten de leiding graag over aan anderen. Zij volgen gemakkelijk aanwijzingen van anderen op. Vaak wordt hun mening niet meegenomen bij beslissingen.

Voorbeelditems Dominantie:
– Positief geformuleerd: Krijgt anderen mee met eigen standpunt.
– Negatief geformuleerd: Heeft in een groep weinig invloed op besluiten.

3. Competitie: Beter willen zijn dan anderen.

Mensen die hoog scoren willen uitblinken in alles wat zij doen. Zij willen altijd winnen, willen anderen overtreffen en maken overal een wedstrijd van. Zij vinden het leuk om te scoren. Mensen die gemiddeld scoren zullen competitie niet vermijden en waar nodig ook wel aangaan, maar zij worden zeker niet steeds gedreven door een sterke competitiedrang. Mensen die laag scoren vinden meedoen belangrijker dan winnen, zij zijn een goede verliezer en voelen zich vervelend als zij ergens om moeten strijden.

Voorbeelditems Competitie:
– Positief geformuleerd: Wil uitblinken in alles wat hij of zij doet.
– Negatief geformuleerd: Heeft een hekel aan competitie.

4. Zelfvertoon: Graag in het middelpunt van de belangstelling staan.

Mensen die hoog scoren staan graag op de voorgrond, zijn veel aan het woord, praten luid en maken graag indruk op anderen. Mensen die gemiddeld scoren zullen de aandacht van anderen niet vermijden, maar voelen ook niet
voortdurend de behoefte om op de voorgrond te treden. Mensen die laag scoren vermijden aandacht, gedragen zich onopvallend en rustig. Zij stellen zich bescheiden op.

Voorbeelditems Zelfvertoon:
– Positief geformuleerd: Plaatst zichzelf op de voorgrond.
– Negatief geformuleerd: Gedraagt zich onopvallend in gezelschap.

Sociabiliteit

Schalen die een uitspraak doen over persoonskenmerken die bepalend zijn in het persoonlijke contact met anderen.

5. Contactbehoefte: Behoefte hebben aan gezelschap.

Mensen die hoog scoren hebben graag veel mensen om zich heen. Zij zoeken snel contact met anderen, raken gemakkelijk in gesprek. Ze voelen zich, wanneer ze alleen zijn minder prettig. Mensen die gemiddeld scoren vinden het redelijk prettig om van tijd tot tijd in gezelschap van anderen te zijn, maar zij vinden het ook niet onprettig om soms alleen te zijn. Het liefst ervaren zij enige afwisseling tussen in gezelschap verkeren en alleen zijn. Een gemiddelde score kan ook wijzen op een voorkeur aan het verkeren in een wat kleiner gezelschap. Mensen die laag scoren zijn liever alleen dan dat zij gezelschap van anderen zullen zoeken. Zij stellen zich in contact met anderen afwachtend op.

Voorbeelditems Contactbehoefte:
– Positief geformuleerd: Houdt van mensen om zich heen.
– Negatief geformuleerd: Heeft weinig behoefte aan contact met anderen.

6. Sociaal Ontspannen: Zich ontspannen voelen in het contact met anderen.

Mensen die hoog scoren voelen zich ontspannen en op hun gemak bij anderen. Mensen die gemiddeld scoren kunnen soms wel enige spanning voelen bij een nieuw contact, maar zeker niet in die mate dat zij contacten zullen vermijden. Mensen die laag scoren voelen zich vaak verlegen en gespannen in contact met anderen. Zij ontlopen mensenmenigten.

Voorbeelditems Sociaal Ontspannen:
– Positief geformuleerd: Voelt zich ontspannen bij andere mensen.
– Negatief geformuleerd: Maakt moeilijk contact met vreemden.

7. Zelfonthulling: Delen van eigen gevoelens met anderen.

Mensen die hoog scoren zijn open in het tonen en bespreken van hun gevoelens. Zij praten veel met anderen over wat zij hebben meegemaakt. Mensen die gemiddeld scoren durven hun gevoelens wel te tonen en deze bespreekbaar te maken, zij zullen ook niet zozeer als gesloten worden gekwalificeerd, maar zij lopen zeker niet te koop met hun gevoelens en voelen ook niet steeds de behoefte om over zichzelf te praten. Mensen die laag scoren houden hun gevoelens voor zichzelf. Zij zijn terughoudend in het praten over zichzelf. Kunnen als gesloten worden gezien.

Voorbeelditems Zelfonthulling:
– Positief geformuleerd: Praat graag over het privé-leven.
– Negatief geformuleerd: Houdt eigen gevoelens voor zichzelf.

8. Vertrouwen: Geloven in de goede bedoelingen van anderen.

Mensen die hoog scoren zijn goed van vertrouwen en kunnen wat naïef overkomen. Zij gaan ervan uit dat mensen de waarheid vertellen en het beste met elkaar voorhebben. Mensen die gemiddeld scoren gaan doorgaans wel uit van het positieve in de ander maar zijn daarbij wel voldoende kritisch en realistisch in hun verwachtingen. Mensen die laag scoren hebben tijd nodig om anderen te vertrouwen, zij willen iemand eerst beter
leren kennen alvorens het vertrouwen te geven, kijken de kat eerst uit de boom.

Voorbeelditems Vertrouwen:
– Positief geformuleerd: Is goed van vertrouwen.
– Negatief geformuleerd: Vertrouwt zelden iemand op voorhand.

9. Hartelijkheid: Aardig, vrolijk en opgewekt zijn tegen anderen.

Mensen die hoog scoren zijn opgewekt, doen anderen graag plezier, zijn vriendelijk, worden vaak als “warm” en hartelijk ervaren. Mensen die gemiddeld scoren vallen noch op door hun vriendelijkheid of hartelijkheid, noch door hun afstandelijkheid en norsheid in het contact. Ze komen wat serieuzer over en lachen wat minder. Mensen die laag scoren worden als afstandelijk gezien en kunnen nors en onvriendelijk overkomen. Ze maken op anderen een koele indruk.

Voorbeelditems Hartelijkheid:
– Positief geformuleerd: Staat bekend als hartelijk.
– Negatief geformuleerd: Heeft moeite enthousiast te reageren.

10. Zorgzaamheid: Zich betrokken voelen bij anderen, anderen graag willen helpen.

Mensen die hoog scoren staan vaak voor anderen klaar, verplaatsen zich makkelijk in de gevoelens van anderen. Ze bieden, als andere mensen het moeilijk hebben snel hun diensten en helpen mensen graag. Mensen die gemiddeld scoren zijn bereid om anderen te helpen, ze hebben een gemiddelde behoefte om zich in anderen te verdiepen. Ze voelen echter niet voortdurend de behoefte om voor anderen klaar te staan, zij zullen hulp ook niet steeds spontaan aanbieden. Mensen die laag scoren vinden dat iedereen zijn eigen problemen moet oplossen en voelen weinig de behoefte zich in anderen te verdiepen. Ze richten zich meer op hun eigen belang dan op het belang van anderen.

Voorbeelditems Zorgzaamheid:
– Positief geformuleerd: Biedt snel hulp aan.
– Negatief geformuleerd: Laat anderen aan hun lot over.

Gedrevenheid

Schalen die vooral te maken hebben met wat de drijfveren van een persoon op werkgebied zijn.

11. Energie: De energie hebben om veel te doen.

Mensen die hoog scoren bruisen van energie, zij werken in een hoog tempo en zijn actief. Zij vinden het moeilijk stil te zitten en pakken graag extra werk aan. Mensen die gemiddeld scoren geven daarmee aan over een gemiddelde energie te beschikken. Zij bruisen dus niet zozeer van de energie, maar voelen zich zeker ook niet futloos en zijn in staat om zich extra in te spannen. Mensen die laag scoren doen het graag kalm en rustig aan, zij zijn snel moe en voelen zich futloos. Zij vermijden het zich al te zeer in te spannen en nemen graag lange pauzes.

Voorbeelditems Energie:
– Positief geformuleerd: Heeft de energie om veel dingen tegelijk te doen.
– Negatief geformuleerd: Vermijdt het zich al te zeer in te spannen.

12. Zelfontwikkeling: Gedreven zijn eigen kwaliteiten volledig te benutten.

Mensen die hoog scoren stellen zichzelf hoge doelen, willen het beste uit zichzelf halen en zij willen zichzelf blijven ontwikkelen. Mensen die gemiddeld scoren worden stellen zichzelf doorgaans wel doelen, maar zullen daarbij de lat niet overdreven hoog leggen voor zichzelf. Een doel bereiken zal ook voor hen motiverende werken echter niet in sterkere mate dan bij de meeste anderen. Mensen die laag scoren zijn tevreden met werk dat zij makkelijk aankunnen, zijn er niet naar op zoek continu nieuwe dingen te leren of kennis en vaardigheden te vergroten.

Voorbeelditems Zelfontwikkeling:
– Positief: Wil graag hard werken om zijn of haar doelen te bereiken.
– Negatief: Vindt het onnodig om eigen voldoende prestaties verder te verbeteren.

13. Volharding: Inzet tonen en taken en afspraken serieus nemen en nakomen.

Mensen die hoog scoren zijn mensen waarop men kan rekenen, ze maken af waar zij aan begonnen zijn. Ze werken gedisciplineerd, nemen hun plichten serieus en zijn zich bewust van hun verantwoordelijkheden.
Mensen die gemiddeld scoren laten een redelijke discipline zien, al kunnen zij wel eens te laat komen en iets vergeten. Zij zullen de verantwoordelijkheid hiertoe echter niet bij anderen leggen. Mensen die laag scoren verwaarlozen hun plichten, maken niet af waar ze aan begonnen zijn, komen vaak te laat en zijn geneigd afspraken te vergeten. Zij leggen de verantwoordelijkheid bij anderen.

Voorbeelditems Volharding:
– Positief geformuleerd: Zet door totdat het werk af is.
– Negatief geformuleerd: Maakt moeilijk afspraken over wanneer het werk af moet zijn.

14. Vernieuwing: Zich makkelijk aanpassen aan nieuwe omstandigheden.

Mensen die hoog scoren staan open voor wijzigingen in plannen, accepteren makkelijk dat zaken anders gaan dan vooraf verwacht en zijn snel aan nieuwe situaties gewend. Zij kunnen makkelijk wijzigingen aanbrengen in hun strategie, zijn goed in improviseren en gaan soepel om met nieuwe informatie. Mensen die gemiddeld scoren weten zich doorgaans wel aan veranderende omstandigheden aan te passen, maar hebben hier wel wat meer tijd voor nodig en het zal hen ook iets meer moeite kosten dan het geval is voor hoog scoorders. Mensen die laag scoren houden van regelmaat en hebben er moeite mee als plannen op het laatste moment wijzigen. Zij vinden het moeilijk zich van de ene situatie te verplaatsen in de andere en vinden het vervelend afgeleid te worden. Zij hebben er moeite mee hun gedrag aan te passen aan verschillende situaties.

Voorbeelditem Vernieuwing:
– Positief geformuleerd: Is snel aan een nieuwe situatie gewend.

15. Originaliteit: Een creatieve geest hebben.

Mensen die hoog scoren hebben verbeeldingskracht, een levendige fantasie en hebben vaak vernieuwende ideeën. Mensen die gemiddeld scoren zullen soms met vernieuwende ideeën komen, maar soms ook kiezen
voor een standaardoplossing. Mensen die laag scoren kiezen vaak voor standaardoplossingen, vinden het moeilijk om met ideeën te komen en geven de voorkeur aan werk dat weinig creativiteit in denken vraagt.

Voorbeelditems Originaliteit:
– Positief geformuleerd: Heeft vernieuwende ideeën.
– Negatief geformuleerd: Komt zelden met creatieve oplossingen.

16. Onafhankelijkheid: Zaken op eigen manier uit willen voeren

Mensen die hoog scoren willen graag zelf bepalen hoe zij taken aanpakken, zij willen graag hun eigen gang gaan, nemen onafhankelijk van anderen beslissingen en vinden het vervelend gecontroleerd te worden. Zij hebben weinig behoefte aan leiding. Mensen die gemiddeld scoren weten doorgaans een goed evenwicht te vinden tussen onafhankelijkheid en afhankelijkheid. Zij zijn in staat om zelfstandig zaken aan te pakken, maar waar nodig zullen zij anderen ook om advies vragen. Mensen die laag scoren zijn volgzaam, hebben behoefte aan adviezen van anderen en baseren hun mening op de mening van anderen.

Voorbeelditems Onafhankelijkheid:
– Positief geformuleerd: Handelt op basis van eigen ideeën.
– Negatief geformuleerd: Gedraagt zich afhankelijk.

Structuur

Schalen die vooral te maken hebben met de mate van consciëntieusheid in de benadering van werk.

17. Ordelijkheid: Zelf structuur aanbrengen.

Mensen die hoog scoren onderhouden hun spullen, ruimen rommel direct op en maken vooraf plannen hoe zaken aan te pakken. Mensen die gemiddeld scoren zijn niet overdreven ordelijk, maar ook niet slordig te noemen. Zij
ruimen hun zaken op, maar zullen dat niet altijd direct doen. Mensen die laag scoren zijn vaak iets kwijt, zij zijn slordig, verwaarlozen hun spullen en hebben een hekel aan opruimen.

Voorbeelditems Ordelijkheid:
– Positief geformuleerd: Onderhoudt zijn of haar spullen.
– Negatief geformuleerd: Is vaak iets kwijt.

18. Nauwkeurigheid: Zorgvuldig en met oog voor details werken

Mensen die hoog scoren vinden het leuk zaken te controleren op hun juistheid, maken nauwelijks fouten en zijn opmerkzaam. Zij hebben plezier in werk dat nauwkeurigheid vereist. Mensen die gemiddeld scoren besteden wel aandacht aan details, maar het heeft niet zonder meer hun sterke belangstelling. Netheid zal voor hun eerder een middel zijn dan doel op zich, maar zij werken doorgaans voldoende nauwkeurig, maken niet te snel fouten. Mensen die laag scoren zijn snel geneigd fouten te maken, werken slordig en letten vooral op de grote lijn. Zij zijn geneigd details te vergeten.

Voorbeelditems Nauwkeurigheid:
– Positief geformuleerd: Houdt van werk waarbij op details moet worden gelet.
– Negatief geformuleerd: Heeft de neiging details te vergeten.

19. Regelmaat: Behoefte hebben aan orde en regels

Mensen die hoog scoren hebben behoefte aan vaste regels en procedures. Zij houden van orde en netheid en willen graag controle hebben. Zij willen precies weten waar zij aan toe zijn. Mensen die gemiddeld scoren hebben enige behoefte aan orde en regels, maar zij accepteren het ook wanneer er minder regelmaat bestaat in hun omgeving. Zij maken in voldoende mate plannen en hebben noch een hekel aan werken in een wat chaotische omgeving noch aan werken in een omgeving met meer vaste regels en procedures. Mensen die laag scoren kunnen goed functioneren in een chaotische omgeving. Zij hebben een hekel aan het maken van plannen, wijken ook gemakkelijk af van gemaakte plannen.

Voorbeelditem Regelmaat:
– Positief geformuleerd: Houdt graag vast aan het bekende.

20. Conformisme: Kan zich aanpassen aan de geldende normen en waarden en heeft respect voor gezag.

Mensen die hoog scoren doen de dingen zoals het hoort en willen voldoen aan de verwachtingen van anderen. Ze zijn bereidwillig in het opvolgen van instructies en respecteren anderen op grond van hun status. Mensen die gemiddeld scoren zullen zich doorgaans wel aan de geldende normen, waarden en werkconventies houden. Ze kunnen zich wel kritisch opstellen maar wanneer zij het belang van de instructies inzien zullen zij deze wel opvolgen. Mensen die laag scoren zetten zich af tegen bestaande normen en waarden en doorbreken regels. Ze zijn kritisch naar leidinggevenden, negeren statusverschillen en volgen niet zonder meer opdrachten van leidinggevenden op.

Voorbeelditems Conformisme:
– Positief geformuleerd: Doet wat de baas opdraagt.
– Negatief geformuleerd: Heeft er moeite mee te doen wat leidinggevenden verlangen.

21. Weloverwogen: Zaken zorgvuldig overwegen alvorens tot actie over te gaan

Mensen die hoog scoren denken goed na voordat zij ergens aan beginnen, nemen de tijd zich goed voor te bereiden, zij nemen weloverwogen beslissingen en bereiden zich voor op het onverwachte. Mensen die gemiddeld scoren weten doorgaans een goed evenwicht te vinden tussen zaken goed afwegen voordat een beslissing genomen wordt en vlot reageren op zaken die in hun omgeving gebeuren. Mensen die laag scoren zijn impulsief en reageren spontaan op voorstellen. Zij doen vaak wat als eerste in hen opkomt. Zij richten zich vaak op de korte termijn.

Voorbeelditems Weloverwogen:
– Positief geformuleerd: Overweegt zaken zorgvuldig.
– Negatief geformuleerd: Is geneigd impulsief te handelen.

Stabiliteit

Schalen die vooral te maken hebben met emotionele stabiliteit in de zin van zelfvertrouwen, incasseringsvermogen en in het algemeen het persoonlijke welbevinden.

22. Zelfvertrouwen: Zelfverzekerd zijn.

Mensen die hoog scoren hebben het gevoel veel aan te kunnen, zijn trots op zichzelf, zijn ontspannen en waarderen hun eigen prestaties positief. Mensen die gemiddeld scoren hebben doorgaans voldoende zelfvertrouwen maar zij kunnen in meer onbekende situaties ook nog wel gevoelens van onzekerheid ervaren, soms ook wat twijfelen aan zichzelf. Zij voelen zich niet meer dan anderen, maar zeker ook niet minder. Mensen die laag scoren zijn weinig zelfverzekerd, hebben weinig vertrouwen in hun eigen vaardigheden en kwaliteiten en voelen zich vaak minder dan anderen.

Voorbeelditems Zelfvertrouwen:
– Positief geformuleerd: Waardeert eigen prestaties positief.
– Negatief geformuleerd: Twijfelt aan eigen kwaliteiten.

23. Positivisme: Heeft een positieve kijk op het leven.

Mensen die hoog scoren zijn hoopvol over de toekomst, hebben het gevoel dat anderen het beste met hen voorhebben en voelen zich zelden ellendig, eenzaam of triest. Mensen die gemiddeld scoren kunnen soms minder positieve gevoelens ervaren, ze gaan er niet zondermeer vanuit dat anderen hen steeds veel gunnen. Ze zijn niet direct pessimistisch van aard, maar optimistisch genoeg om niet te blijven hangen in de negatieve gevoelens die zij soms kunnen hebben. Mensen die laag scoren voelen zich vaak somber en zonder reden ellendig. Ze hebben het gevoel dat er achter hun rug om over hen geroddeld wordt, dat zaken hun niet gegund worden. Daardoor hebben ze vaak een naar gevoel en voelen zich regelmatig verdrietig en moedeloos.

Voorbeelditems Positivisme:
– Positief geformuleerd: Is hoopvol over de toekomst.
– Negatief geformuleerd: Vindt dat hem-haar vaak onrecht wordt aangedaan.

24. Frustratietolerantie: Zich verdraagzaam opstellen naar anderen.

Mensen die hoog scoren hebben veel geduld met anderen, hebben snel begrip voor anderen, geven mensen snel het voordeel van de twijfel. Zij vergeven anderen hun fouten. Mensen die gemiddeld scoren ergeren zich niet te snel aan anderen, maar hun geduld is niet eindeloos. Zij kunnen zich soms wel opwinden en zich geïrriteerd voelen, maar zij stellen geen overdreven hoge eisen aan anderen. Mensen die laag scoren stellen hoge eisen aan anderen, ergeren zich snel, zijn ongeduldig en veroordelen anderen snel.

Voorbeelditems Frustratietolerantie:
– Positief geformuleerd: Ergert zich zelden.
– Negatief geformuleerd: Voelt zich snel geïrriteerd.

25. Incasseringsvermogen: Adequaat om kunnen gaan met kritiek en tegenslag.

Mensen die hoog scoren kunnen kritiek makkelijk van zich afzetten, zij weten tegenslagen goed te verwerken, weten hun zelfbeheersing te bewaren en trekken zich weinig aan van negatieve opmerkingen. Mensen die gemiddeld scoren kunnen zich kritiek wel aantrekken en zullen hierover ook nadenken. Zij blijven hierover echter niet te lang tobben. Mensen die laag scoren blijven lang nadenken over tegenslagen, voelen zich geraakt door
beledigingen en reageren emotioneel. Zij raken gemakkelijk teleurgesteld.

Voorbeelditems Incasseringsvermogen:
– Positief geformuleerd: Kan kritiek gemakkelijk van zich afzetten.
– Negatief geformuleerd: Trekt zich persoonlijke kritiek sterk aan.